KRO Penoza

Verslag
college van
omroepen

Verslag college van omroepen

Toezicht op algemene gang van zaken

Het College van Omroepen (CvO) adviseert de raad van toezicht (RvT) en de raad van bestuur (RvB) desgevraagd of uit eigen beweging over het beleid inzake het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.

Amsterdam / LAUREN! Op zoek naar de liefde... / AVROTROS

De RvB vraagt het CvO om een zienswijze, c.q. mening ex art 2.14-1Mw als deze in naam van de gezamenlijke publieke media-instellingen een overeenkomst met derden wil sluiten en/of een besluit wil nemen inzake net- en/of zenderprofielen, Concessiebeleidsplan, prestatie-overeenkomst, de begroting en de wijze van aanwending van het budget. Als het CvO negatief adviseert over een voorgenomen overeenkomst of besluit, en de RvB wenst zijn voornemen ongewijzigd te handhaven, zal deze het ter instemming voorleggen aan de RvT.

Het CvO is ook overlegorgaan van omroepinstellingen binnen de publieke omroep. Dikwijls gaat het om onderwerpen die in het bestuurdersoverleg direct met de RvB worden besproken en op onderdelen in het CvO verder overleg behoeven. CvO en RvB ontwikkelen ook gezamenlijke standpunten.

Het CvO bestaat uit de fusie-omroepen AVROTROS, BNN-VARA en KRO-NCRV, de stand alone-omroepen EO, MAX en VPRO, de taakomroepen NOS en NTR, alsmede de aspirant-omroepen PowNed en WNL.

De vertegenwoordigers van de omroepen kiezen een voorzitter uit hun midden. In 2015 is het voorzitterschap vervuld door Lennart van der Meulen (VPRO) en, vanaf 2 oktober, door Gerard Timmer (BNN-VARA). De voorzitter en twee andere CvO-leden vormen het presidium van het CvO. Arjan Lock (EO) nam de positie over van Coen Abbenhuis (KRO-NCRV). De positie van Jan de Jong (NOS) werd gecontinueerd.

In 2015 heeft het CvO negen zienswijzen gegeven. Meest in het oog sprongen de zienswijzen inzake het Concessiebeleidsplan 2016-2020 (CBP) en de Meerjarenbegroting 2016-2020 (MJB).

De totstandkoming van het CBP kon niet los worden gezien van het wetswijzigingsvoorstel dat het kabinet in 2015 wilde publiceren en dit na parlementaire behandeling met ingang van 1 januari 2016 in werking laten treden. Staatssecretaris Dekker verzocht de RvB bij de opstelling van het CBP al rekening te houden met de voorgenomen wetswijziging, zonder dat daarvan meer bekend was dan een omschrijving van de strekking in een eerdere kabinetsbrief.

Dit standpunt droeg bij aan een verschil van opvattingen tussen RvB en CvO over de strategie in de publieke omroep. De RvB schaarde zich ten dele achter kabinetsvoornemens die nog niet waren vastgelegd in een wetswijzigingsvoorstel of in wetgeving. Het CvO ging uit van de geldende Mediawet, waarin de publieke omroep is gedefinieerd als samenstel van autonome omroepinstellingen die verantwoordelijk zijn voor vorm en inhoud van het programma-aanbod en een RvB die verantwoordelijk is voor coördinatie en samenwerking.

Het CvO heeft twee zienswijzen gegeven inzake het CBP. In de eerste zienswijze, getiteld Voor alle(s) publiek, d.d. 15 mei 2015, heeft het CvO een visie ontwikkeld voor de publieke omroep op middellange termijn. Daarin zijn ook bezwaren opgenomen tegen het concept-CBP. Verder bevatte deze een oproep aan de RvB tot nader overleg met als doel een gezamenlijk gedragen CBP te ontwikkelen, op basis van wat het CvO de én-én-strategie noemde. De bezwaren van het CvO spitsten zich toe op de centralistische koers van de RvB op het gebied van (online)programmering, distributie en verantwoording. Die koers verhoudt zich naar de opvatting van het CvO niet goed met de wijze waarop de publieke omroep is ingericht. Het CvO is van mening dat de RvB in de overwegingen (digitalisering in en internationalisering van het medialandschap) voor de voorgestelde veranderingen onvoldoende rekenschap gaf van de uitgangspunten van de publieke omroep, in het bijzonder de onafhankelijkheid en externe pluriformiteit. Het ontbrak aan een afweging waarin recht werd gedaan aan de voordelen van de decentrale structuur. Die liggen onder meer op het terrein van flexibiliteit in de ontwikkeling van nieuw aanbod en de hechte relatie met publieksgroepen. De CvO-zienswijze richtte zich verder op een groot aantal specifieke beleidsvoornemens in het concept-CBP.

Een daaropvolgend overleg tussen CvO en RvB leidde tot een nieuw tekstvoorstel van de RvB, d.d. 5 juni 2015. Daarin is op veel punten tegemoet gekomen aan de bezwaren. Ook heeft de RvB in een aparte notitie, d.d. 8 juni 2015, aanvullende afspraken vastgelegd. Deze hadden onder meer betrekking op de ruimte voor omroepen online en op omroepportals. Ook werd een afspraak gemaakt over de werkwijze met externe producenten in relatie tot de beleidsvoornemens van het kabinet, ingeval deze verankerd zouden worden in wetgeving. Het CvO stemde in met het herziene CBP, waarbij de afspraak is gemaakt dat een aantal punten – vooral met betrekking tot radio en het online-aanbod – nader zou worden besproken en uitgewerkt.

Enkele maanden later kwam de MJB aan de orde. Dit is een jaarlijkse uitwerking van het CBP met een begroting voor het komende jaar. Het CvO gaf op 25 augustus 2015 een negatieve zienswijze over de MJB 2016-2020. Een reden was dat het CvO de afspraken die zijn gemaakt in het kader van de totstandkoming van de tweede versie van het CBP en de zogenoemde én-én-strategie onvoldoende terugzag in de MJB. De bezwaren van het CvO richtten zich onder meer op beleidsvoornemens inzake radio (opzet van zenderportals), online (inzet van social media en de duale verspreiding van content via npo.nl én via omroepsites).

Tiende_van_Tijl-1456932007 klein

Het CvO zal in 2016 het overleg met RvB over de uitwerking van MJB en CBP voortzetten.
Verder heeft het CvO in 2015 een positieve zienswijze gegeven over overeenkomsten met SENA, Beeld en Geluid en AP, die de RvB namens de omroepen is aangegaan. Ook gaf het CvO een positieve zienswijze over de oprichting van SCGO. Het CvO gaf een negatieve zienswijze inzake het voorgenomen besluit van de RvB om de radiostudio’s R1 en R4 te sluiten en nieuwe studio’s te ontwikkelen in het NPO-gebouw. Het CvO heeft hiertegen bezwaar omdat het gaat om een ingrijpende besluit waarvoor onvoldoende onderbouwing is gegeven. Dat geldt in het bijzonder voor de financiële overwegingen.

Het CvO ontwikkelt met de RvB gezamenlijke standpunten. In 2015 hadden deze betrekking op de parlementaire behandeling van het wetswijzigingsvoorstel van het kabinet. Op 30 september 2015 verzonden CvO en RvB een brief naar de Tweede Kamer met een toelichting op drie onderwerpen. CvO en RvB wezen op de noodzaak van behoud van waarborgen ten aanzien van de onafhankelijkheid van de inhoud van het media-aanbod van de publieke omroep in relatie tot voornemens inzake verplichte publicatie van kosten van programma’s en in relatie tot de wettelijke bevoegdheden van de minister van OCW bij de benoeming van de leden van RvT NPO én van de RvB NPO. Andere punten hadden betrekking op de aanscherping van de taakopdracht en de bezwaren tegen de voorgenomen wijze waarop amusementsprogramma’s zouden moeten worden getoetst. Die zouden leiden tot vergroting van de bureaucratie. Ook wezen CvO en RvB op de werkafspraken die ze hebben gemaakt inzake de inschakeling van externe producenten en de rol van omroepen als coproducent. CvO en RvB verzochten de leden van de Tweede Kamer deze inbreng te betrekken bij de plenaire behandeling van het wetswijzigingsvoorstel.